Menu

FAQ

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Deze norm is een grenswaarde. Er mag van deze norm dan ook niet worden afgeweken.

Groepsrisico
Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. De officiële definitie van het groepsrisico luidt: De cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke (afval)stof betrokken is.
Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan in het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Hierbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden; afwijken is mogelijk mits goed onderbouwd.

Ten behoeve van de realisatie van uw project is het waarschijnlijk noodzakelijk om de situatie in het kader van het thema ‘externe veiligheid’ in beeld te brengen.
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico’s die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Eventuele beperkingen moeten in milieuvergunningen en bestemmingsplannen zijn vastgelegd. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.
Met een ‘quickscan externe veiligheid’ brengt BJZ.nu voor u in kaart of uw projectgebied is gelegen binnen de geldende risicocontouren en veiligheidsafstanden van onder andere risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op basis van deze quickscan wordt beoordeeld of er een nadere verantwoording van het plaatsgebonden en/of groepsrisico noodzakelijk is, eventueel middels onderzoek.
De quickscan maakt standaard onderdeel uit van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan.
Wilt u weten wat de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico inhouden? Kijk dan bij de vraag: Wat is het verschil tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR)?

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5725 en NEN 5740. De houdbaarheid van een bodemonderzoek is niet wettelijk vastgelegd, maar normaliter wordt een onderzoek tot maximaal vijf jaar geschikt geacht.

Normaliter is een bodemonderzoek niet vereist indien het bestemmingsplan/de omgevingsvergunning betrekking heeft op bouwwerken:
- waarin niet voortdurend mensen verblijven (minder dan 2 uur per dag, bijv. een garage);
- die de grond niet raken (bijv. overkraging) of het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd (bijv. bedrijfswoning naar reguliere woning);
- op gronden waarvoor door burgemeester en wethouders ontheffing is verleend of kan worden verleend in het geval reeds voldoende gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid aanwezig is.
In sommige gevallen is naast een bodemonderzoek ook een asbest bodemonderzoek (NEN5707) noodzakelijk.
Dit is met name het geval als het erf als asbestverdacht moet worden aangemerkt, bijvoorbeeld voormalige agrarische bedrijfspercelen.

BJZ.nu kan in het geval van een specifiek project adviseren of een (asbest)bodemonderzoek al dan niet noodzakelijk is.

Voor het afwijken van het bestemmingsplan kan in een aantal gevallen gebruik worden gemaakt van de zogenaamde kruimelgevallenregeling. De kruimelgevallen staan genoemd in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Een omgevingsvergunning op basis van de kruimellijst is een relatief snelle route om van het bestemmingsplan af te wijken. Relatief snel omdat de reguliere voorbereidingsprocedure van 8 weken op een kruimelaanvraag van toepassing is. Het bevoegd gezag kan deze voorbereidingsprocedure eenmalig met maximaal 6 weken verlengen.
Anders dan de naam doet vermoeden is de kruimelregeling te gebruiken voor kleine én grote projecten. Dit komt mede doordat meerdere kruimelgevallen kunnen worden gecombineerd. De meest gebruikte kruimelgevallen zijn:
1. Bijbehorend bouwwerk/uitbreiding hoofdgebouw (onderdeel 1);
Met deze kruimelafwijking kan een vergunning worden verleend voor de uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel een ander bouwwerk met een dak. De uitbreiding van een bestaand gebouw kan met deze kruimelafwijking ook buiten het bouwvlak plaatsvinden. Enkel voor ontwikkelingen buiten de bebouwde kom geldt een oppervlaktebeperking van 150 m². Binnen de bebouwde kom geldt deze beperking niet is vaak meer mogelijk dan een ‘kruimel’ doet vermoeden. Tevens is van belang dat de uitbreiding geen betrekking hoeft te hebben op een bestaand gebouw.
2. Strijdig gebruik bestaand bouwwerk (onderdeel 9);
De transformatie van bijvoorbeeld een (leegstaand) kantoorpand naar woningen kan mogelijk gemaakt worden met onderdeel 9 van de kruimellijst. Met dit onderdeel mag het aantal woningen als gevolg van de vergunning toenemen.
3. Ander gebruik (‘restcategorie’) voor maximaal 10 jaar (onderdeel 11);
Indien kruimels 1 t/m 10 niet van toepassing zijn, dat is er nog kruimel 11. Deze kruimel is een restcategorie. De termijn waarvoor de vergunning kan worden verleend voor dit strijdige gebruik is maximaal 10 jaar en de termijn begint te lopen met de verlening van de eerste vergunning. Het is mogelijk om de vergunning aan te vragen voor bijvoorbeeld 5 jaar. Deze vergunning mag vervolgens met maximaal 5 jaar worden verlengd. De 10 jaar mag uiteindelijk niet worden overschreden.
Door vorenstaande kruimelgevallen te combineren zijn omvangrijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Het combineren van kruimels is in de jurisprudentie een veelbesproken onderwerp. Per geval moet worden bekeken wat de mogelijkheden zijn.

In de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (Rijksbeleid) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag (meestal de gemeente) als nieuwe stedelijke ontwikkelingen (NSO) planologisch mogelijk worden gemaakt. Is dit het geval, dan is een beschrijving van de behoefte nodig. Voor plannen buiten bestaand stedelijk gebied (BSG) is bovendien een uitgebreidere motivering vereist, waarin wordt ingegaan op de vraag waarom niet binnen BSG in de behoefte kan worden voorzien.
Samengevat bestaat de laddermotivering in de toelichting van het bestemmingsplan uit de volgende onderdelen:
• Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling;
• Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling;
• Ligt het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied.
Afhankelijk van type ontwikkeling (wonen, recreatie, bedrijvigheid) dient de onderbouwing gestaafd te gaan met behoefte onderzoek of bijvoorbeeld actueel gemeentelijk sectoraal beleid.
Uiteindelijk zal uit de ladderonderbouwing duidelijk moeten worden dat het plan voorziet in een behoefte en dat er op een zuinige en zorgvuldige wijze met de beschikbare ruimte wordt omgegaan.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van strijd met een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening).
Eén van de maatstaven hierbij is de aantoonbaarheid van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Dit valt uiteen in een beoordeling van verschillende milieu- en omgevingsaspecten, waaronder wegverkeerslawaai.
Indien een ruimtelijke ontwikkeling uitgaat van de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (bijv. woningen) en/of terreinen dan is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh bepaalt dat bij de voorbereiding van de meeste ruimtelijke procedures akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden wanneer bijvoorbeeld een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd binnen de geluidszone van één of meerdere wegen. Doel van dit onderzoek is de geluidsbelasting aan de gevel van bijvoorbeeld een woning te bepalen, als gevolg van de omliggende wegen. De berekende geluidbelasting moet vervolgens worden getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wgh.
Indien de berekende geluidsbelasting voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 decibel (dB) dan is er sprake van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’. Bij een geluidsbelasting hoger dan de voorkeurswaarde kan de gemeente onder voorwaarden een ‘hogere waarde’ toekennen. Mocht ook een hogere waarde mogelijk zijn dan kan gewerkt worden met akoestische maatregelen zoals een dove gevel. Op deze manier kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk toch doorgang vinden.
Heeft u een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nodig, of wilt u weten of deze benodigd is? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Een principeverzoek is een brief gericht aan het college met het verzoek om medewerking te verlenen aan een ruimtelijk plan dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. In een principeverzoek wordt op hoofdlijnen ingegaan op het project en de te verwachten effecten hiervan op de omgeving. In een principebesluit geeft het college aan of men wel of geen medewerking wil verlenen aan het verzoek. Het doel van een principeverzoek is om tegen lage kosten en binnen een kort tijdsbestek een grote mate van zekerheid te krijgen of een project haalbaar is en of de gemeente hieraan wil meewerken.

Een ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de aanvraag voor een uitgebreide omgevingsvergunning. In de ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd waarom de afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’. In een ruimtelijke onderbouwing wordt onder meer ingegaan op het project, het ruimtelijk beleid (rijk, provincie en gemeente) en de van belangzijnde milieu- en omgevingaspecten.
Voor meer complexe plannen is de uitgebreide procedure van toepassing waarbij het bevoegd gezag binnen 6 maanden een beslissing dient te nemen. Ook voor deze procedure geldt dat de mogelijkheid voor het bevoegd gezag bestaat om de termijn eenmalig met 6 weken te verlengen. Van een ‘fatale termijn’ is bij de uitgebreide procedure geen sprake.

Een reguliere procedure is bedoeld voor de eenvoudige aanvragen zoals bouwactiviteiten, binnenplanse afwijkingen en kruimelgevallen. De reguliere procedure duurt in principe 8 weken (m.u.v. bezwaar/beroep), welke eenmalig door het bevoegd gezag met maximaal 6 weken mag worden verlengd. Bij deze procedure geldt een ‘fatale’ termijn, dit betekent dat een omgevingsvergunning van rechtswege wordt verleend als het bevoegd gezag niet binnen 8 weken (of bij verlenging 14 weken) beslist.

Voor meer complexe plannen is de uitgebreide procedure van toepassing waarbij het bevoegd gezag binnen 6 maanden een beslissing dient te nemen. Ook voor deze procedure geldt dat de mogelijkheid voor het bevoegd gezag bestaat om de termijn eenmalig met 6 weken te verlengen. Van een ‘fatale termijn’ is bij de uitgebreide procedure geen sprake.

De omgevingsvergunning is op 1 oktober 2010 ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning heeft een groot aantal vergunningen vervangen, zoals de bouwvergunning, sloopvergunning, kapvergunning en milieuvergunning. Het is bij een omgevingsvergunning mogelijk om diverse activiteiten (bouwen, slopen etc.) in één aanvraag op te nemen, waarmee sprake is van één procedure.

In bestemmingsplannen kan aan het college een wijzigingsbevoegdheid worden toegekend. Met deze bevoegdheid kan het college het plan op de in de regels genoemde punten wijzigen. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid wordt het planologisch kader gewijzigd middels een wijzigingsplan. De procedure van een wijzigingsplan duurt ongeveer even lang als een bestemmingsplan (circa 26 weken zonder beroep), echter is het grote verschil dat een wijzigingsplan door het college wordt vastgesteld en een bestemmingsplan door de gemeenteraad.

Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar wonen is in veel gevallen mogelijk. Immers vormt de functie wonen veelal een logisch vervolg op het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Om de bestemming te wijzigen dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd of herzien; welke procedure van toepassing is hangt af van de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. BJZ.nu treedt allereerst in overleg met de gemeente of het indienen van een principeverzoek noodzakelijk is of dat dit achterwege kan worden gelaten. Indien overeenstemming met de gemeente is bereikt, dan wordt het wijzigings- of bestemmingsplan opgesteld. BJZ.nu heeft alle kennis en diensten in huis om een dergelijk proces van A tot Z te begeleiden.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden of er sprake is van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Hierbij gaat het niet alleen om directe hinder (geluid, licht, etc.), maar ook om indirecte hinder. Stikstof- en ammoniakdepositie als gevolg van industrie of agrarische bedrijvigheid kan leiden tot verzuring van natuurgebieden en aantasting van habitattypen. Het rekeninstrument AERIUS berekent de stikstof- en ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van projecten en plannen in de nabijheid van deze gebieden. De uitkomst van de AERIUS berekening bepaalt mede of voor een specifiek project een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is, of dat er sprake is van een meldingsplicht.
Er gelden geen vaste nomen voor wanneer een AERIUS berekening wel of niet benodigd is. Diverse factoren spelen een rol in de noodzaak om inzicht te krijgen in de stikstof- of ammoniakdepositie van een specifiek project. Enerzijds speelt de aard en omvang van het project een rol, anderzijds is de afstand van het project tot Natura 2000-gebieden relevant.

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning. Dit geldt indien het plan een geluidsgevoelig object (zoals bijvoorbeeld woningen) mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Aangetoond zal moeten worden dat aan de voorkeurswaarde wordt voldaan of dat een hogere waarde kan worden verleend. Opgemerkt wordt dat in voorkomende gevallen ook de geluidsbelasting van 30 km/uur wegen, zonder wettelijke geluidszone, in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht dient te worden.

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet in beginsel een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Gemeenten hebben archeologische verwachtingen van gronden aangegeven op een archeologische beleidskaart of doorvertaald naar dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Hierbij is aangegeven tot welke diepte en oppervlakte ingrepen in de bodem zijn toegestaan. Wanneer de ontwikkeling gepaard gaat met een bodemingreep die de onderzoeksgrens behorende bij de archeologische verwachting van de grond overschrijdt is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. In twee gevallen is in principe een luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk, namelijk:
1. Bij een ontwikkeling waarbij het vermoeden is dat de luchtkwaliteit in betekende mate wordt aangetast. Dit is het geval bij (grootschalige) ontwikkelingen die zorgen voor een grote toename van het aantal verkeersbewegingen (bijv. nieuwe woonwijken of supermarkten) of in geval van nieuwvestiging of uitbreiding van industriële of agrarische bedrijven die ten gevolge van de bedrijfsvoering (o.a. via schoorstenen) de luchtkwaliteit beïnvloeden. In sommige gevallen kan echter worden volstaan met een toets via de NIBM-tool.
2. Bij een ontwikkeling waarbij een gevoelige bestemming (bijv. zorgboerderij of school) wordt gerealiseerd nabij rijks- en provinciale wegen. De wet ziet toe op extra bescherming van mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit. Daarom moet bij het realiseren van een gevoelige bestemming binnen een afstand van 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg een luchtkwaliteitsonderzoek worden uitgevoerd.

BJZ.nu kan in het geval van een specifiek project adviseren of een luchtkwaliteitsonderzoek al dan niet noodzakelijk is.