Menu

Begrippenlijst

Met een AERIUS berekening kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Een AERIUS berekening wordt doorgaans in eerste instantie uitgevoerd voor één of twee fases. Het gaat daarbij om een berekening van de aanlegfase (het effect van de realisatie van een ontwikkeling op Natura 2000-gebieden) en/of de gebruiksfase (het effect van het gewenste gebruik als gevolg van een ontwikkeling op Natura 2000-gebieden).

Wanneer uit de berekening voor de aanlegfase en/of gebruiksfase blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j is eveneens geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat de ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig is. De ontwikkeling kan dan voor wat betreft dit onderdeel in principe worden doorgezet.

Wanneer uit de berekening voor de aanlegfase en/of gebruiksfase blijkt dat sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j, dan dient verder te worden gekeken naar de mogelijkheden. Een tweetal voorbeelden daarvan zijn het verlagen van de stikstofuitstoot binnen de berekende fase(n) met een hoger rekenresultaat dan 0,00 mol/ha/j en/of het berekenen van een derde fase (de bestaande situatie).

Met het berekenen van deze derde fase (bestaande situatie) wordt berekend wat het effect van de ontwikkeling op Natura 2000-gebieden is, wanneer hier de bestaande uitstoot van stikstof en neerslag tegenover wordt gezet (intern of extern salderen). Van belang is in dat geval wel dat deze bestaande uitstoot van stikstof permanent komt te vervallen en effect heeft op dezelfde punten binnen Natura 2000-gebieden als de ontwikkeling. Deze vervallen ruimte kan dan benut worden ten behoeve van de ontwikkeling.

Een bestemmingsplan is een gemeentelijk instrument dat regelt voor welke functies gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt en welke bouwmogelijkheden er zijn. Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding welke juridisch bindend zijn. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.

De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt ruimte voor ontwikkelingen in het buitengebied van de provincie Overijssel, welke niet binnen het bestemmingsplan passen.
Een ontwikkeling in het buitengebied kan mogelijk worden gemaakt door enerzijds te investeren in de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling zelf, dit wordt de basisinspanning genoemd. Anderzijds kan het zijn dat er aanvullende kwaliteitsprestaties nodig zijn, dit is de KGO investering. Er dient evenwicht te zijn tussen de ontwikkelingsruimte en de kwaliteitsprestaties.

In de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (Rijksbeleid) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag (meestal de gemeente) als nieuwe stedelijke ontwikkelingen (NSO) planologisch mogelijk worden gemaakt. Is dit het geval, dan is een beschrijving van de behoefte nodig. Voor plannen buiten bestaand stedelijk gebied (BSG) is bovendien een uitgebreidere motivering vereist, waarin wordt ingegaan op de vraag waarom niet binnen BSG in de behoefte kan worden voorzien.
Samengevat bestaat de laddermotivering in de toelichting van het bestemmingsplan uit de volgende onderdelen:
• Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling;
• Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling;
• Ligt het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied.
Afhankelijk van type ontwikkeling (wonen, recreatie, bedrijvigheid) dient de onderbouwing gestaafd te gaan met behoefte onderzoek of bijvoorbeeld actueel gemeentelijk sectoraal beleid.
Uiteindelijk zal uit de ladderonderbouwing duidelijk moeten worden dat het plan voorziet in een behoefte en dat er op een zuinige en zorgvuldige wijze met de beschikbare ruimte wordt omgegaan.

Een principeverzoek is bedoeld om een grote mate van zekerheid te krijgen over de haalbaarheid van het project en de bereidheid van de gemeente om hieraan mee te willen werken.

Met een projectafwijkingsbesluit/buitenplanse afwijking (artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3° Wabo) is het mogelijk om af te wijken van het bestemmingsplan.Voor een dergelijke vergunningaanvraag geldt de uitgebreide procedure. Bij de omgevingsvergunningaanvraag dient onder andere een ruimtelijke onderbouwing te worden bijgevoegd, waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent onder meer dat getoetst dient te worden aan wet- en regelgeving, beleidskaders en milieuaspecten.

Rood voor Rood is een regeling waardoor het mogelijk wordt om een nieuwe woning in het landelijk gebied te bouwen. Ter compensatie dient een bepaalde omvang aan ontsierende (agrarische) bebouwing te worden gesloopt en geïnvesteerd te worden in de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Een ruimtelijke onderbouwing is een uitgebreide beoordeling van de aanvaardbaarheid en haalbaarheid van een bouwplan of functiewijziging.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan de gemeenteraad bepalen dat voor specifieke (vaak kleinschalige) ontwikkelingen het college van burgemeester en wethouders bevoegd is het bestemmingsplan te wijzigen. Een dergelijke wijziging wordt doorgevoerd middels het doorlopen van een wijzigingsplanprocedure.